ECLI:NL:CRVB:2021:3302
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor wasdroger wegens ontbreken medische noodzaak
Appellante, een bijstandsgerechtigde alleenstaande, vroeg bijzondere bijstand aan voor de aanschaf van een wasdroger. Het college wees dit af omdat de kosten niet noodzakelijk zijn volgens artikel 35 van Pro de Participatiewet. Na bezwaar vroeg het college advies aan een medisch adviseur van de GGD, die concludeerde dat er geen medische noodzaak is voor vergoeding van de wasdroger.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij lijdt aan smetvrees, waardoor zij dagelijks haar kleding moet wassen en een wasdroger nodig heeft vanwege fysieke klachten en het vochtige klimaat in huis. Zij stelde dat het college onvoldoende rekening had gehouden met haar psychische beperking en dat het medisch advies niet onafhankelijk was. De Raad overwoog dat het college mocht afgaan op het GGD-advies, dat zorgvuldig was opgesteld en onafhankelijk was.
De Raad stelde vast dat de verklaringen van huisarts en fysiotherapeut onvoldoende aantonen dat een wasdroger noodzakelijk is. De medisch adviseur achtte de psychische stoornis goed behandelbaar en vond dat appellante haar was binnen op een droogrek kan drogen. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van bijzondere bijstand voor de wasdroger bevestigd.