ECLI:NL:CRVB:2021:3329
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Mate van arbeidsongeschiktheid terecht vastgesteld op 55,69% in WIA-procedure
Betrokkene, voormalig productiemedewerker, meldde zich in 2009 ziek met hoofdpijnklachten. Het UWV kende hem vanaf 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 100%, later verlaagd naar 80-100%. Na een melding van verslechtering in 2017 stelde een verzekeringsarts in 2018 beperkingen vast, leidend tot een nieuwe arbeidsongeschiktheidspercentage van 55,69% per 16 mei 2018.
Betrokkene maakte bezwaar tegen deze vaststelling, met name over de urenbeperking per dag en week. De rechtbank vernietigde het besluit deels vanwege onduidelijkheid over de verhouding tussen uren per dag en per week. Het UWV stelde in hoger beroep dat het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) een combinatie van uren per dag en per week mogelijk maakt, en motiveerde de beperkingen adequaat.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht heeft gewezen op het CBBS en dat de verzekeringsarts voldoende heeft gemotiveerd waarom een urenbeperking van acht uur per dag en dertig uur per week passend is. Ook is voldoende rekening gehouden met de psychische klachten van betrokkene, die volgens recente medische informatie een matig recidiverende depressieve stoornis heeft. Het hoger beroep van het UWV wordt gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van betrokkene afgewezen, en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene is terecht vastgesteld op 55,69%, het beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.