Uitspraak
20.3548 ZW
8 september 2020, 20/172 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als callcentermedewerker, meldde zich ziek met angstklachten en kreeg een Ziektewetuitkering toegekend. Na een eerstejaars beoordeling concludeerde een verzekeringsarts dat zij belastbaar was met beperkingen volgens een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige stelde vast dat zij 77,38% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waarna het UWV haar uitkering beëindigde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen reden was om te twijfelen aan de medische beoordelingen. Appellante bracht in hoger beroep naar voren dat haar psychische klachten onvoldoende waren meegewogen, met name dat er sprake was van een ernstige depressie die zwaardere beperkingen zou rechtvaardigen.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de verzekeringsartsen hun standpunten voldoende hadden gemotiveerd en dat de beperkingen passend waren. Er was geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige. Ook de geschiktheid van de geduide functies werd bevestigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling.