ECLI:NL:CRVB:2021:343
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WW- en ZW-uitkeringen wegens ontbreken dienstbetrekking
Appellante had een WW-uitkering aangevraagd na het faillissement van haar werkgever en later een uitkering op grond van de Ziektewet. Zij verklaarde dat zij vanaf februari 2015 werkzaam was bij [bedrijf 2] op basis van een arbeidsovereenkomst, die echter per juli 2015 werd beëindigd. Het UWV startte een onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkeringen en concludeerde dat er geen sprake was van een dienstbetrekking met [bedrijf 2].
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek van het UWV zorgvuldig en toereikend was en dat appellante onvoldoende objectief bewijs leverde om het standpunt van het UWV te weerleggen. De arbeidsovereenkomst was vaag, de werkzaamheden en loonbetalingen waren niet aannemelijk en getuigenverklaringen vertoonden tegenstrijdigheden. De uitkeringen werden daarom terecht ingetrokken en teruggevorderd.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukte dat voor het aannemen van een dienstbetrekking moet worden voldaan aan de criteria van persoonlijke arbeid, gezagsverhouding en loonbetaling, hetgeen niet was aangetoond. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van de WW- en ZW-uitkeringen bevestigd wegens het ontbreken van een dienstbetrekking.