ECLI:NL:CRVB:2021:364
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroep op terugkeergarantie in sociaal plan na fusie en insourcing
Appellanten waren tot 2008 ambtenaar bij de gemeente Rotterdam en gingen vervolgens in dienst bij stichting [C] na verzelfstandiging. In 2012 fuseerde [C] met [X] tot stichting [D], waarna [A] en [D] een dienstverleningsovereenkomst sloten die de gedwongen winkelnering beëindigde. In 2017 beëindigde [D] de arbeidsovereenkomsten van appellanten, waarna zij een beroep deden op de terugkeergarantie uit het Sociaal Plan.
De rechtbank Rotterdam wees het beroep af omdat het dienstverband niet binnen de vierjaarstermijn was beëindigd en de evaluatie van 2011 leidde tot het opheffen van de gedwongen winkelnering zonder personele consequenties. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat er geen aanleiding was voor een nieuw sociaal plan met terugkeergarantie.
Het hoger beroep van appellanten faalt, en het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van het college behoeft geen bespreking. De Raad concludeert dat appellanten geen aanspraak kunnen maken op de terugkeergarantie en bevestigt de eerdere uitspraak. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep op de terugkeergarantie wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.