Uitspraak
19 660 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Hij heeft een document van het Ministerie van Justitie in Egypte overgelegd waaruit blijkt dat appellant en de echtgenote in de beoordelingsperiode geen onroerend goed in Egypte hadden. Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij met zijn broer is overeengekomen dat na het overlijden van hun beide ouders het erfdeel van appellant in de woning naar deze broer overgaat. Dit als tegenprestatie voor de grote sommen geld die appellant van zijn broer heeft moeten lenen om de operaties van zijn dochter te kunnen bekostigen. Aan eerder door appellant ten overstaan van de medewerkers van de gemeente afgelegde verklaringen moet geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, omdat deze in een ruzieachtige sfeer zijn afgelegd. Bovendien heeft de taalbarrière hierbij een rol gespeeld.
Verder zijn de door appellant overgelegde bankafschriften voor een deel in een Engelse vertaling overgelegd. Op deze rekeningen is in Egyptische ponden het saldo aangegeven en op basis daarvan is het grotendeels mogelijk om het vermogen van appellant vast te stellen. Bij het hoger beroepschrift heeft appellant alsnog de afschriften van de Egyptische bankrekening van de echtgenote overgelegd.
In het hoger beroepschrift heeft appellant toegelicht dat de twee leningen van € 5.000,- en € 1.300,- incidenteel waren en zijn aangegaan voor de schoolkosten van de kinderen in Egypte. Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij geen lening (van € 5.000,-) bij een zwager in Dubai heeft afgesloten, omdat hij niemand kent in Dubai. Verder heeft appellant ter zitting verklaard dat de schoolkosten niet € 300,- per kind per maand bedragen maar € 50,- per jaar.