ECLI:NL:CRVB:2021:429
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens aanwezigheid op werkplek zonder arbeid
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Appellant werkte van juli tot september 2018 bij een autobedrijf, waarbij hij twintig uur per week aangaf te werken. Sociaal rechercheurs constateerden echter dat appellant ook op andere dagen en uren aanwezig was op de werkplek, terwijl hij verklaarde alleen zijn vriend te bezoeken en niet te werken.
Het college trok daarop de bijstand in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad overwoog dat aanwezigheid op de werkplek tijdens reguliere uren de vooronderstelling rechtvaardigt dat er arbeid wordt verricht, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt.
Appellanten slaagden er niet in dit te bewijzen en volstonden met een niet-onderbouwde stelling dat appellant alleen zijn vriend bezocht. De Raad vond dit onvoldoende om de vooronderstelling te weerleggen en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de terugvordering worden bevestigd omdat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat hij buiten opgegeven uren geen arbeid verrichtte.