ECLI:NL:CRVB:2021:462
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
Werkneemster was sinds januari 2016 ziek gemeld en heeft vanaf juli 2017 geen passende re-integratie-inspanningen meer verricht door haar werkgever. Het UWV legde daarom een loonsanctie op omdat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had geleverd.
De werkgever voerde aan dat zij op basis van eigen ervaring en kennis van de situatie van werkneemster een eigen inschatting had gemaakt dat verdere re-integratie niet zinvol was, en dat de bewijslast onterecht bij haar werd gelegd. Ook stelde zij dat de latere toekenning van een IVA-uitkering bevestigde dat haar inschatting juist was.
De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat de werkgever onvoldoende had aangetoond dat zij de re-integratiemogelijkheden voldoende had onderzocht. De rapporten van Oxhill7 die de werkgever later overlegde, konden niet worden meegewogen omdat deze na het opleggen van de loonsanctie waren opgesteld. De toekenning van de IVA-uitkering was gebaseerd op andere maatstaven en bood geen grond voor het achterwege laten van re-integratie-inspanningen.
De Raad bevestigde daarmee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank dat de loonsanctie terecht is opgelegd omdat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.
Uitkomst: De loonsanctie is terecht opgelegd omdat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht zonder deugdelijke grond.