Uitspraak
19.2713 PW, 20/963 PW
10 mei 2019, 18/6300 (aangevallen uitspraak 1), en van 24 januari 2020, 19/4500 (aangevallen uitspraak 2)
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg bijzondere bijstand voor een babyuitzet aan, welke door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam werd afgewezen omdat zij kon sparen of gespreid betalen.
Zij maakte te laat bezwaar en verzocht om herziening van het besluit, waarbij zij stelde dat zij vanwege medische redenen niet tijdig bezwaar kon maken en dat het collegebeleid haar recht gaf op bijstand.
De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding zonder verschoonbare reden en wees het herzieningsverzoek af omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd.
In hoger beroep stelde appellante dat zij tijdens een telefonisch contact tijdig bezwaar had gemaakt en dat de afwijzing evident onredelijk was. De Raad oordeelde dat uit het telefoongesprek niet bleek dat bezwaar was gemaakt, dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was wegens onvoldoende medische onderbouwing, en dat het herzieningsverzoek niet kon slagen zonder nieuwe feiten.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraken en wees de beroepen af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het bezwaar en herzieningsverzoek wegens te late indiening en het ontbreken van nieuwe feiten.