ECLI:NL:CRVB:2021:508
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verbod nevenactiviteit als individueel belangenbehartiger voor vakbond bij universiteit
Appellant, universitair hoofddocent aan de TU Delft, verrichtte naast zijn functie diverse nevenactiviteiten, waaronder een rol als individueel belangenbehartiger ([functie 3]) voor een vakbond binnen de universiteit. Het college van bestuur van de TU Delft weigerde toestemming voor deze specifieke nevenactiviteit vanwege mogelijke schade aan de organisatiebelangen en het risico op belangenverstrengeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de nevenactiviteit valt onder de sectorale regeling nevenwerkzaamheden, die toestemming van de werkgever vereist. Het college mocht de toestemming weigeren op grond van artikel 11 van Pro de regeling, omdat de werkzaamheden de belangen en het aanzien van de universiteit kunnen schaden.
In hoger beroep stelde appellant dat het verbod zijn recht op vrijheid van vereniging en vakbondsvrijheid schond, zoals beschermd door artikel 11 EVRM Pro. De Raad oordeelde dat dit recht niet absoluut is en dat de beperking proportioneel en noodzakelijk is om belangenverstrengeling en schade aan de integriteit van de openbare dienst te voorkomen.
De Raad benadrukte dat de beperking alleen betrekking heeft op de nevenactiviteit binnen de TU Delft en dat de vakbond deze werkzaamheden door een ander lid kan laten verrichten. De Raad concludeerde dat het college in redelijkheid de toestemming mocht weigeren en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het verbod op de nevenactiviteit als individueel belangenbehartiger vanwege belangenverstrengeling en schade aan organisatiebelangen.