Uitspraak
19 3327 ZW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2021.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, laatstelijk werkzaam als callcenter-agent, ontving een Ziektewetuitkering die door het UWV werd beëindigd omdat zij naar oordeel van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het eerste besluit gegrond en vernietigde dit, maar verklaarde het bezwaar tegen het tweede besluit ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen, mede door morbide obesitas en psychische klachten, onvoldoende waren meegewogen. Zij overhandigde aanvullende medische stukken ter onderbouwing. Het UWV handhaafde haar standpunt op basis van rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De Raad oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat het oordeel van de verzekeringsarts juist is. Hoewel appellante voldoet aan de criteria voor morbide obesitas, is niet gebleken dat dit haar arbeidsvermogen zodanig beperkt dat zij de geselecteerde functies niet kan vervullen. De aanvullende medische gegevens bieden geen aanleiding tot een ander oordeel, mede omdat zij betrekking hebben op een periode na de datum in geding.
De Raad bevestigt daarom het oordeel van de rechtbank en verklaart het beroep van appellante ongegrond. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.