Appellante, werkzaam bij een overheidsdienst en lijdend aan een chronische ziekte, maakte bezwaar tegen salarisverlaging en het onthouden van periodieke verhogingen in 2017 en 2018, alsmede tegen het afboeken van vakantie-uren. De rechtbank wees haar verzoeken deels toe en deels af, waarna zij in hoger beroep ging bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de eerste uitspraak, maar vernietigt de uitspraken 2 en 3. De Raad oordeelt dat de salarisstroken van maart en april 2017 geen zelfstandige besluiten zijn en verklaart het bezwaar daartegen niet-ontvankelijk. De salarisstrook van februari 2017 wordt herroepen en appellante wordt met terugwerkende kracht ingedeeld in een hogere salaristrede voor de periode februari 2017 tot en met januari 2018. Ook voor februari 2018 tot en met januari 2019 wordt een hogere salaristrede toegekend.
Het bezwaar tegen het afboeken van verlof wordt ongegrond verklaard, omdat dit besluit niet op de juiste wijze bekend is gemaakt maar inhoudelijk gegrond is. De Raad wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af wegens onvoldoende onderbouwing. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de nabetalingen en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens wordt het griffierecht vergoed.
De uitspraak zorgt voor een definitieve regeling van de salarisverhogingen en verlofafboeking, waarbij de staatssecretaris de betalingen en rente moet voldoen conform de vastgestelde salarisschalen en perioden.