Betrokkene ontving vanaf 2014 een Wajong-uitkering van 75% vanwege een licht verstandelijke beperking. In de periode van 1 april 2014 tot 1 augustus 2015 ontving hij tevens een tegemoetkoming scholieren op grond van de Wtos, welke niet tijdig aan het UWV werd gemeld. De moeder van betrokkene behartigde destijds zijn belangen en diende onder meer de Wajong-aanvraag in en gaf wijzigingen door.
Het UWV herzag de uitkering met terugwerkende kracht en vorderde een bedrag van € 9.060,82 terug wegens te veel ontvangen uitkering. De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende had onderzocht of de moeder wel voldoende kennis en wetenschap had om het niet melden aan betrokkene toe te rekenen, en vernietigde het besluit.
In hoger beroep stelt het UWV dat het handelen van de moeder als belangenbehartiger aan betrokkene moet worden toegerekend en dat de herziening terecht is. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit standpunt, oordeelt dat de wetenschap en het kennisniveau van de moeder voldoende was en dat het niet melden van de tegemoetkoming scholieren aan betrokkene kan worden toegerekend. De herziening met terugwerkende kracht is daarmee rechtsgeldig.
Betrokkene stelde weliswaar dringende redenen voor terugvordering, maar onderbouwde deze niet met objectieve gegevens. Het terugvorderingsbedrag is vastgesteld op € 6.119,52 over de genoemde periode. De Raad vernietigt het eerdere vonnis en treedt in de plaats van het vernietigde besluit door het terugvorderingsbedrag vast te stellen.