Uitspraak
19 970 WAJONG
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op de aanspraken op grond van de ZW en de Wet WIA.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1979, kreeg in 2000 een Wajong-uitkering vanwege psychische beperkingen. Deze uitkering werd in 2008 beëindigd omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt was. Na diverse arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op grond van de Ziektewet en verzoeken om herziening, wees het UWV in 2018 de aanvraag om herleving van de Wajong-uitkering af, omdat de nieuwe arbeidsongeschiktheid een andere ziekteoorzaak betrof dan de eerdere.
Appellant voerde aan dat zijn MS al eerder speelde en dat hij recht had op voortzetting van de Ziektewet-uitkering en aansluitend een WIA-uitkering. De rechtbank beperkte het geschil tot de Wajong-aanvraag en verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte niet oordeelde over de ZW- en WIA-aanspraken.
De Raad oordeelt dat appellant het beroep bij de rechtbank uitdrukkelijk beperkte tot de Wajong-aanvraag en dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is voor de ZW- en WIA-onderdelen, omdat appellant geen tijdig bezwaar of beroep had ingesteld tegen die onderdelen. Verder bevestigt de Raad dat de toename van beperkingen niet voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak als de eerdere Wajong-uitkering, waardoor geen recht op herleving bestaat.
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af voor zover het de Wajong-uitkering betreft, en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor de ZW- en WIA-aanspraken. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt bevestigd voor de Wajong-uitkering en niet-ontvankelijk verklaard voor de ZW- en WIA-aanspraken.