ECLI:NL:CRVB:2021:678
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek aanvullende ontslaguitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant was sinds 1997 in dienst van het Universitair Medisch Centrum Utrecht en kreeg op 31 augustus 2017 eervol ontslag wegens een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie. Bij het ontslagbesluit werd alleen een uitkering toegekend op grond van de WW en de BWUMC. Appellant verzocht later om een aanvullende ontslagregeling, maar dit verzoek werd afgewezen en het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn.
In hoger beroep stelde appellant dat hem ten onrechte geen aanvullende uitkering was toegekend, mede omdat een oud-collega onder vergelijkbare omstandigheden wel een ruimere regeling had gekregen. De Raad oordeelde dat de feiten waarop appellant zich baseerde geen nieuwe feiten waren in de zin van artikel 4:6 Awb Pro, omdat deze vóór het ontslagbesluit bekend waren en aangevoerd hadden kunnen worden. Het feit dat appellant pas medio december 2017 bekend werd met de regeling van zijn oud-collega, werd wel als nieuw feit erkend, maar dit rechtvaardigde geen herziening omdat de regeling van de oud-collega via een minnelijke regeling tot stand was gekomen die appellant niet had benut.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit niet evident onredelijk was en dat het hoger beroep geen doel trof. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot aanvullende ontslaguitkering wordt bevestigd.