ECLI:NL:CRVB:2021:771
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet-melding buitenlands onroerend goed
Appellanten ontvingen vanaf 1 juli 2000 een aanvullende bijstand en later een AIO-uitkering naast hun AOW. Zij hadden echter niet gemeld dat appellant sinds 1975 eigenaar was van een stuk grond en woning in Marokko. Op formulieren van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) beantwoordden zij vragen over buitenlands woningbezit met 'ja', maar gaven zij geen nadere details over het adres en de waarde.
In november 2016 startte de Svb een nader onderzoek en blokkeerde de AIO-uitkering. De terugvordering van € 49.669,35 over de periode van 1 juli 2000 tot 1 november 2016 werd door de rechtbank Amsterdam toegewezen en door de Centrale Raad van Beroep bevestigd.
Appellanten voerden aan dat de zogenoemde zesmaanden-jurisprudentie van toepassing was, waardoor terugvordering na zes maanden niet meer mogelijk zou zijn. Dit beroep werd verworpen omdat deze jurisprudentie niet geldt indien de inlichtingenplicht is geschonden en de terugvordering verplicht is volgens de Participatiewet.
Verder stelden appellanten dat bijzondere omstandigheden tot afzien van terugvordering zouden moeten leiden, maar zij hebben deze niet concreet gemaakt. De Raad oordeelde dat er geen dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De terugvordering van € 49.669,35 wegens niet-melding van buitenlands onroerend goed wordt bevestigd.