Appellanten ontvingen bijstand en werden geconfronteerd met intrekking en terugvordering vanwege betrokkenheid bij de productie van synthetische drugs in een loods. De rechtbank veroordeelde appellant strafrechtelijk voor het bereiden van amfetamine en MDMA in de periode van 1 maart 2014 tot 15 maart 2015.
Het college trok de bijstand in vanaf 1 maart 2014 tot 17 oktober 2017 en vorderde de kosten terug. De Raad beoordeelde de intrekking in twee periodes: periode 1 (1 maart 2014 tot 15 maart 2015) en periode 2 (16 maart 2015 tot 17 oktober 2017). Voor periode 1 was de intrekking terecht gebaseerd op de strafrechtelijke veroordeling en de vastgestelde activiteiten, ook al leverden deze geen directe inkomsten op.
Voor periode 2 oordeelde de Raad dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat appellanten nog beschikten over opbrengsten of vermogen uit de drugproductie. Hierdoor was de intrekking en terugvordering over deze periode niet gerechtvaardigd. De Raad vernietigde het besluit voor periode 2 en bepaalde dat het college opnieuw op bezwaar moet beslissen over de terugvordering.
Daarnaast veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellanten.