ECLI:NL:CRVB:2021:923
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van ingangsdatum Wajong-uitkering en bijzonder geval bij te late aanvraag
Appellant diende op 31 juli 2008 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering, die aanvankelijk werd afgewezen omdat hij niet langer dan een jaar meer dan 25% arbeidsongeschikt was. Na een nieuwe beoordeling in 2016 werd de uitkering alsnog toegekend met terugwerkende kracht tot 29 november 2015, maar niet eerder dan een jaar voor de eerste aanvraag. Appellant stelde dat er sprake was van een bijzonder geval waardoor de uitkering eerder had moeten ingaan, onder meer omdat de diagnose pas in 2008 werd gesteld en hij vanwege persoonlijkheidsproblematiek en onbekendheid met de regeling niet eerder kon aanvragen.
De Raad oordeelde dat het toepasselijke beoordelingskader niet het artikel van de AAW is, maar artikel 3:29 van Pro de Wajong. Uit de vaste rechtspraak volgt dat een bijzonder geval alleen aan te nemen is als betrokkene niet in verzuim was en pas later duidelijk inzicht kreeg in de ernst van zijn aandoening. De Raad concludeerde dat appellant sinds zijn jeugd psychische problemen had en zich bewust was van zijn beperkingen, en dat onbekendheid met de regeling geen bijzonder geval vormt. Er was geen medische reden om eerder aan te nemen dat appellant niet kon aanvragen.
De Raad verwierp het beroep en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank. Tevens wees de Raad het verzoek tot schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De beslissing werd uitgesproken door E.J.J.M. Weyers op 22 april 2021.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd; geen eerdere ingangsdatum van de Wajong-uitkering.