ECLI:NL:CRVB:2021:971
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WW-uitkering na zelf genomen ontslag wegens inzet buiten functie
Appellant trad op 2 januari 2019 in dienst als cv-monteur bij een B.V. binnen een groep bedrijven. Op 20 mei 2019 nam hij zelf ontslag, omdat hij werd ingezet voor werkzaamheden buiten zijn functie, namelijk als hulp bij bliksembeveiliging en aircomontage. Hij vroeg daarop een WW-uitkering aan met ingang van 20 mei 2019.
Het UWV weigerde de uitkering uit te betalen omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden door zelf ontslag te nemen zonder dat daartoe noodzaak bestond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat niet was gebleken van zwaarwegende bezwaren tegen voortzetting van het dienstverband.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel, stelt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat voortzetting van het dienstverband niet van hem kon worden gevergd. Hoewel appellant aangeeft dat de werkzaamheden zwaarder waren en hij lichamelijke klachten heeft, is dit niet met medische stukken onderbouwd. Wel oordeelt de Raad dat het UWV het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd omtrent de duur van de maatregel, omdat vaststaat dat het dienstverband binnen drie maanden niet verwijtbaar zou zijn geëindigd. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd, met de opdracht aan het UWV een nieuw besluit te nemen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV vernietigd met de opdracht tot een nieuwe beslissing.