ECLI:NL:CRVB:2021:982
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindigde WGA-uitkering terecht niet heropend wegens ontbreken toename beperkingen
Appellante was assistent procesoperator en meldde zich eind 2005 ziek met psychische en fysieke klachten. Het UWV kende haar in 2007 een loongerelateerde WGA-uitkering toe, die in 2015 werd beëindigd omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. In 2017 meldde appellante zich opnieuw met toegenomen klachten, maar het UWV weigerde de heropening van haar WIA-uitkering omdat geen toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak was vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat appellante onvoldoende medische onderbouwing leverde voor een toename van haar beperkingen. Ook werd het verzoek tot benoeming van een onafhankelijk deskundige afgewezen, mede op grond van het arrest Korošec.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt over de toename van beperkingen en vroeg opnieuw om een deskundige. De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, appellante voldoende gelegenheid had gehad om medische stukken in te brengen en dat er geen sprake was van een toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de beëindigde WGA-uitkering niet herleeft wegens het ontbreken van toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak.