Uitspraak
20.2082 PW
mr. A. Kerkhof en mr. J.B.L. Krahmer.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Naar aanleiding van signalen dat appellant niet op dat adres verbleef, voerde het college een onderzoek uit, waarbij onder andere waterverbruiksgegevens werden opgevraagd en waarnemingen werden gedaan. Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant onder meer aan dat hij niet aan zijn verklaring kon worden gehouden vanwege taalproblemen en dat hij wel zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. De Raad oordeelde dat de verklaring rechtsgeldig was afgelegd met tolk aanwezig en dat het extreem lage waterverbruik op het uitkeringsadres de vooronderstelling rechtvaardigde dat appellant daar niet zijn hoofdverblijf had.
Appellant kon het tegendeel niet aannemelijk maken, ondanks zijn verklaringen over zijn leefwijze en verblijf elders. Ook de waarnemingen en verklaringen van derden ondersteunden het oordeel van het college. Het college hoefde geen huisbezoek af te leggen omdat de overige onderzoeksgegevens voldoende waren. Het beroep werd verworpen en de intrekking en terugvordering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet hoofdverblijf op het uitkeringsadres wordt bevestigd.