ECLI:NL:CRVB:2014:957
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder en werd onderzocht nadat een melding binnenkwam dat zij samenwoonde met B op haar uitkeringsadres. De Sociale Recherche voerde een uitgebreid onderzoek uit, inclusief verhoren en getuigenverklaringen. Het college besloot daarop de bijstand over een periode van ruim drie jaar in te trekken en de kosten terug te vorderen wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond, waarna zij in hoger beroep ging. Appellante betwistte het voeren van een gezamenlijke huishouding en voerde onder meer haar medische toestand en druk tijdens verhoren aan. De Raad oordeelde echter dat de verklaringen die appellante en B aan de Sociale Recherche hadden afgelegd, als betrouwbaar en bindend moesten worden beschouwd. Latere ontkenningen en verklaringen van appellante en haar dochter werden minder zwaar gewogen.
Getuigenverklaringen van buurtbewoners en de moeder van B ondersteunden de conclusie dat B feitelijk bij appellante woonde en dat sprake was van wederzijdse zorg en bijdrage aan de huishouding. De Raad bevestigde dat aan de wettelijke criteria van gezamenlijke huishouding was voldaan en verwierp het hoger beroep. De intrekking en terugvordering van de bijstand bleven daarmee in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de bijstand worden bevestigd.