Appellante, werkzaam geweest als medewerker cursusadministratie, heeft sinds 2006 te maken met psychische en lichamelijke klachten en ontvangt sinds 2009 een WIA-uitkering. Na een verzoek tot herbeoordeling in 2019 heeft het UWV vastgesteld dat zij vanaf 1 januari 2020 recht heeft op een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellante betwistte dit en stelde recht te hebben op een IVA-uitkering wegens volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren en dat de beperkingen niet als duurzaam konden worden aangemerkt. Appellante ging hiertegen in hoger beroep en voerde aan dat haar beperkingen al vanaf 1 maart 2019 bestonden en dat onvoldoende rekening was gehouden met haar psychische klachten.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de ingangsdatum van de volledige arbeidsongeschiktheid op 22 oktober 2019 juist is vastgesteld. De Raad stelt dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is, mede omdat de frozen shoulder nog niet als blijvend kan worden beschouwd en er mogelijkheden voor behandeling en verbetering zijn. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.