Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:1043

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 april 2022
Publicatiedatum
13 mei 2022
Zaaknummer
20/2912 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015Uitvoeringsbesluit Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling maximale periodebijdrage Wmo 2015 door CAK

Appellant ontving een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en moest daarvoor een bijdrage betalen. CAK stelde de maximale periodebijdrage vast op €151,32 per vier weken en bracht een bedrag van €269,35 in rekening. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling, dat door CAK en later door de rechtbank Noord-Holland werd afgewezen.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat de maximale periodebijdrage buitenproportioneel hoog was in vergelijking met de bijdrage uit 2015, en dat deze rekening had moeten houden met jaarlijkse indexering, wat zou leiden tot een lagere bijdrage van €20,58. Tevens stelde appellant dat de bijdrage niet in verhouding stond tot de kwaliteit van de geleverde maatwerkvoorziening en het salaris van de thuishulp.

De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank dat CAK bij de vaststelling van de bijdrage in beginsel mag afgaan op de door de gemeente en zorgaanbieder verstrekte gegevens, tenzij sprake is van een kennelijke fout. CAK heeft volgens de Raad geen fouten gemaakt in de berekeningen en heeft geen ruimte om rekening te houden met loon- en prijsindexaties. De kwaliteit van de zorg valt niet onder de beoordeling van CAK.

Omdat appellant geen nieuwe gronden aanvoerde die tot een ander oordeel konden leiden, werd het hoger beroep verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de vastgestelde maximale periodebijdrage door CAK wordt bevestigd.

Uitspraak

20.2912 WMO15

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 10 juli 2020, 18/2067 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CAK

Datum uitspraak: 28 april 2022
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
CAK heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2022. Appellant heeft via een telefoonverbinding aan de zitting deelgenomen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Boersma.

OVERWEGINGEN

1.1.
Aan appellant is een maatwerkvoorziening verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Voor deze voorziening moet appellant een bijdrage betalen.
1.2.
Bij besluit van 16 maart 2018 heeft CAK het bezwaar van appellant, gericht tegen de voorlopig vastgestelde maximale periodebijdrage vanaf periode 1 van 2017 en de in rekening gebrachte bijdrage over periode 1 tot en met 3 van 2017, ongegrond verklaard. Uiteindelijk heeft CAK bij besluit van 21 februari 2019 de maximale periodebijdrage vastgesteld op € 151,32 per vier weken en aan appellant bij factuur van 8 maart 2019 nog een bedrag van € 269,35 in rekening gebracht als bijdrage in de kosten van de ondersteuning.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen dat uit het wettelijk systeem volgt dat de gemeente die een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 verleent beslist of daarvoor een bijdrage is verschuldigd en dat vervolgens CAK de hoogte van de bijdrage vaststelt en int. CAK mag bij de vaststelling van de bijdrage in beginsel afgaan op de door de gemeente en de zorgaanbieder verstrekte gegevens. Alleen als uit een gemotiveerde betwisting blijkt dat er sprake is van een kennelijke fout, dient CAK die te herstellen. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat CAK niet heeft mogen uitgaan van de verstrekte gegevens. De rekenregels volgen uit het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en op grond daarvan heeft CAK geen ruimte om rekening te houden met te verwachten loon- en prijsindexaties. CAK kan niet meer doen dan controleren of de bijdrage de kostprijs van de voorziening niet te boven gaat en nagaan of de bijdrage niet hoger is dan de maximale periodebijdrage. De kwaliteit van de geleverde zorg staat niet ter beoordeling van CAK. Als appellant het niet eens is met het uurtarief of de kostprijs van de voorziening, moet hij zich wenden tot de gemeente. Het is de rechtbank niet gebleken dat CAK fouten heeft gemaakt in de berekeningen.
3. In hoger beroep heeft appellant zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat de maximale periodebijdrage van € 151,32 per vier weken buitenproportioneel is in vergelijking met de maximale periodebijdrage van € 19,40 uit 2015. Appellant meent dat de maximale periodebijdrage, rekening houdend met jaarlijkse indexering vanaf 2015, zou moeten worden vastgesteld op € 20,58 per vier weken. De eigen bijdrage staat bovendien niet in verhouding tot de kwaliteit van de geleverde maatwerkvoorziening en het salaris van de thuishulp.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De rechtbank is op de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat CAK de maximale periodebijdrage op een juiste wijze heeft vastgesteld en de bijdrage in de kosten van de ondersteuning op een juiste wijze in rekening heeft gebracht. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel.
4.2.
Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden naar voren gebracht en/of gemotiveerd waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.M Tobé, als voorzitter en D.S. de Vries en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van E.J. van der Veldt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2022.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) E.J. van der Veldt