ECLI:NL:CRVB:2022:1043
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling maximale periodebijdrage Wmo 2015 door CAK
Appellant ontving een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en moest daarvoor een bijdrage betalen. CAK stelde de maximale periodebijdrage vast op €151,32 per vier weken en bracht een bedrag van €269,35 in rekening. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling, dat door CAK en later door de rechtbank Noord-Holland werd afgewezen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de maximale periodebijdrage buitenproportioneel hoog was in vergelijking met de bijdrage uit 2015, en dat deze rekening had moeten houden met jaarlijkse indexering, wat zou leiden tot een lagere bijdrage van €20,58. Tevens stelde appellant dat de bijdrage niet in verhouding stond tot de kwaliteit van de geleverde maatwerkvoorziening en het salaris van de thuishulp.
De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank dat CAK bij de vaststelling van de bijdrage in beginsel mag afgaan op de door de gemeente en zorgaanbieder verstrekte gegevens, tenzij sprake is van een kennelijke fout. CAK heeft volgens de Raad geen fouten gemaakt in de berekeningen en heeft geen ruimte om rekening te houden met loon- en prijsindexaties. De kwaliteit van de zorg valt niet onder de beoordeling van CAK.
Omdat appellant geen nieuwe gronden aanvoerde die tot een ander oordeel konden leiden, werd het hoger beroep verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de vastgestelde maximale periodebijdrage door CAK wordt bevestigd.