ECLI:NL:CRVB:2022:1056
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldige beoordeling van beperkingen en verdiencapaciteit
Appellant, die zich ziek meldde met rugklachten en psychische problematiek, ontving een Ziektewetuitkering. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek in 2019 werd vastgesteld dat zijn beperkingen niet waren toegenomen en dat hij preventief beperkingen behield vanwege psychische klachten. Een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant nog 85,28% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waarna het UWV de uitkering beëindigde.
Appellant voerde bezwaar aan met nieuwe medische informatie, waaronder een diagnose schizofrenie, en stelde dat hij niet kon werken vanwege verergerde klachten en medicatiegebruik. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde echter dat de beperkingen adequaat waren vastgelegd en dat de nieuwe diagnose geen aanleiding gaf tot aanpassing van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was verricht en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel, verwijzend naar het ontbreken van nieuwe medische gegevens die het standpunt van appellant ondersteunen. Ook de geschiktheid van de geselecteerde functies werd bevestigd, ondanks bezwaren over samenwerken.
De Raad concludeerde dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen en dat het UWV terecht de Ziektewetuitkering heeft beëindigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een deskundigenonderzoek of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering is terecht beëindigd omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen en beperkingen zorgvuldig zijn vastgesteld.