ECLI:NL:CRVB:2022:1077

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 april 2022
Publicatiedatum
17 mei 2022
Zaaknummer
21/2123 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dat bestuursrechter beslag op ouderdomspensioen niet mag toetsen

Appellante ontving sinds 2017 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet. In 2019 werd zij geïnformeerd dat GGN Mastering Credit beslag had gelegd op haar pensioen, waardoor zij een lager bedrag ontving. De Sociale verzekeringsbank (Svb) verklaarde het bezwaar tegen deze beslaglegging ongegrond. De rechtbank Limburg oordeelde dat de bestuursrechter niet bevoegd is om de rechtmatigheid van het beslag te beoordelen en verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen dat het beslag onrechtmatig was gelegd. De Centrale Raad van Beroep verwijst naar vaste rechtspraak dat bezwaren tegen beslag moeten worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter en dat de Svb als derdenbeslagene noch de bestuursrechter de geldigheid van het beslag mogen toetsen. De toetsing van de bestuursrechter beperkt zich tot de vraag of het bestuursorgaan binnen het kader van het beslag is gebleven bij het nemen van de betalingsbeslissing.

De Raad concludeert dat de Svb de rechtspraak correct heeft toegepast en dat de beroepsgrond dat het beslag onrechtmatig is, niet slaagt omdat de rechtmatigheid van het beslag niet in deze bestuursrechtelijke procedure beoordeeld kan worden. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de bestuursrechter niet bevoegd is de rechtmatigheid van het beslag te toetsen en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

21.2123 AOW

Datum uitspraak: 22 april 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 mei 2021, 19/2077 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft – deels digitaal – plaatsgevonden op 11 maart 2022. Appellante is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans, die via videobellen heeft deelgenomen. Het geding is gevoegd behandeld met de zaak 21/2124 AOW. Na de behandeling zijn de gedingen weer gesplitst en zal afzonderlijk uitspraak worden gedaan.

OVERWEGINGEN

1. Aan appellante is in 2017 een ouderdomspensioen toegekend op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), naar de norm van een ongehuwde. Met een besluit van 24 mei 2019 heeft de Svb aan appellante gemeld dat er door GGN Mastering Credit (GGN) beslag is gelegd op haar ouderdomspensioen en dat aan haar vanaf juni 2019 daarom een lager bedrag aan ouderdomspensioen zal worden overgemaakt. Het bezwaar hiertegen is, met een beslissing van 17 juli 2019 (bestreden besluit), ongegrond verklaard. Ter zitting heeft de Svb uiteengezet dat GGN op 10 maart 2020 heeft laten weten dat de beslaglegging beëindigd is. Vanaf die maand is weer het volledige ouderdomspensioen aan appellante uitbetaald.
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank betoogt appellante in essentie dat het beslag op zichzelf onjuist is. Hiertegen dient zij zich echter te beklagen bij de burgerlijke rechter, niet bij de bestuursrechter. Nu tegen de wijze waarop het beslag door de Svb is uitgevoerd door appellante niets is aangevoerd, is er geen reden het bestreden besluit voor onjuist te houden.
3. In hoger beroep heeft appellante in essentie haar stellingen herhaald.
4.1.
De Raad ziet geen aanleiding de aangevallen uitspraak voor onjuist te houden. Uit vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 30 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2687) volgt dat bezwaren over een beslag kunnen worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter en dat het niet op de weg van de Svb, als derdenbeslagene, ligt om de geldigheid van het beslag te beoordelen. De bestuursrechter mag daarover ook niet oordelen. Bij de beoordeling van een betalingsbeslissing als in dit geding aan de orde, moet het gelegde beslag als een gegeven worden aanvaard. De bestuursrechter dient zijn toetsing te beperken tot het beantwoorden van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van deze betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag.
4.2.
De Svb heeft een juiste toepassing gegeven aan de in overweging 4.1 genoemde rechtspraak. De beroepsgrond dat het op het ouderdomspensioen van appellante gelegde derdenbeslag onrechtmatig is gelegd kan niet slagen, omdat de rechtmatigheid van het beslag niet in deze procedure ter beoordeling staat. Appellante heeft op zich niets aangevoerd tegen de wijze van beslaglegging, alleen tegen de beslaglegging zelf.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak bevestigd zal worden. Indien appellante zich had willen verzetten tegen de beslaglegging zelf, had zij een geding moeten beginnen bij de burgerlijke rechter.
4.4.
Er bestaat geen aanleiding de Svb te veroordelen tot vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2022.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) M.E. van Donk