ECLI:NL:CRVB:2022:1095
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek kwijtschelding kinderbijslagvordering wegens aflossingscapaciteit
Appellant betwistte de herziening en terugvordering van kinderbijslag over de periode 1996-2004 en verzocht om kwijtschelding van de vordering van €7.784,90. De Raad gaat uit van de rechtmatigheid van de herziening en terugvordering, die in eerdere uitspraken onherroepelijk zijn vastgesteld.
Appellant stelde dat de terugvordering onterecht aan hem was gericht, omdat hij niet de aanvrager of ontvanger was, en vroeg om aanhouding van de zaak om een beslissing op bezwaar van zijn ex-echtgenote in te brengen. Dit standpunt blijft buiten beschouwing en het verzoek om aanhouding werd afgewezen omdat appellant ter zitting aanwezig was en geen ziektehinder bleek.
De Raad oordeelde dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor kwijtschelding, omdat hij niet vijftien jaar geen betalingen had verricht en in 2019 aflossingscapaciteit had en ook daadwerkelijk betaalde. Het hoger beroep slaagt niet en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding bevestigd.