Appellante diende op 13 februari 2017 een aanvraag om bijstand in, met ingang van 14 maart 2017, nadat haar WW-uitkering zou eindigen. Het dagelijks bestuur wees de aanvraag af omdat appellante op de aanvraagdatum een inkomen had boven de bijstandsnorm. Later verleende het bestuur bijstand vanaf 6 juni 2017.
Na een onderzoek in 2018 stelde het bestuur dat appellante en X een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor zij niet zelfstandig bijstand kon ontvangen. Dit werd bevestigd in een nader besluit van januari 2021, dat het eerdere besluit herzag. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het oorspronkelijke besluit ongegrond.
In hoger beroep betwistte appellante dat sprake was van wederzijdse zorg, een vereiste voor gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelde dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevatte om van wederzijdse zorg uit te gaan, waardoor het nader besluit niet zorgvuldig was voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Herstel was niet mogelijk, waardoor het besluit werd vernietigd.
De Raad besloot zelf in de zaak te voorzien en kende appellante bijstand toe naar de norm voor een alleenstaande over de periode van 14 maart tot 5 juni 2017. Tevens werd het dagelijks bestuur veroordeeld in de kosten van appellante.