ECLI:NL:CRVB:2022:1142
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechterlijke uitspraken inzake terugvordering WW- en WAO-uitkeringen en schadevergoeding redelijke termijn
De Centrale Raad van Beroep heeft op 18 mei 2022 uitspraak gedaan in vier samengevoegde hogerberoepszaken betreffende terugvordering van WW- en WAO-uitkeringen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
In alle zaken werden de gronden van appellant in hoger beroep als herhaling van eerdere bezwaren en beroepen beoordeeld en verworpen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank Limburg dat appellant geen nieuwe inhoudelijke gronden had aangevoerd en dat de terugvordering van uitkeringen en toeslagen terecht was. Ook het beroep tegen niet tijdig beslissen werd niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang, aangezien het Uwv alsnog een besluit had genomen.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van onaanvaardbare sociale of financiële consequenties als gevolg van terugvordering. Tevens werd bevestigd dat de brutering van de teruggevorderde bedragen conform vaste jurisprudentie is toegestaan.
Ten aanzien van de redelijke termijn werd vastgesteld dat in zaak 20/1738 de termijn met bijna elf maanden was overschreden, wat leidde tot een schadevergoeding van €1.000,-, waarvan het Uwv en de Staat elk de helft moeten betalen. In de andere zaken was geen overschrijding van de redelijke termijn. De Raad veroordeelde Uwv en Staat tot betaling van vergoeding en proceskosten in verband met de overschrijding in zaak 20/1738.
De aangevallen uitspraken van de rechtbank werden bevestigd en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de rechtbankuitspraken bevestigd; Uwv en Staat worden veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten wegens overschrijding redelijke termijn in zaak 20/1738.