ECLI:NL:CRVB:2022:1155
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten speciaal matras wegens Zvw als voorliggende voorziening
Appellant vroeg bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor de kosten van een speciaal matras vanwege rugklachten. Het college wees de aanvraag af met het argument dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een passende en toereikende voorliggende voorziening is, ook al vergoedt de Zvw de kosten niet volledig vanwege het ontbreken van een contract met de zorgaanbieder.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de Zvw een bewuste keuze van de wetgever weerspiegelt en dat het college daarom in beginsel geen bijzondere bijstand hoeft te verlenen. Tevens stelde de Raad vast dat appellant geen zeer dringende redenen had aangetoond, zoals een levensbedreigende situatie of blijvend ernstig letsel.
De medische stukken toonden aan dat het matras de rugklachten kan verlichten, maar niet dat het ontbreken van het matras tot ernstige of levensbedreigende gevolgen leidt. Bovendien is het gekozen matras niet de enige mogelijkheid. Daarom is het hoger beroep ongegrond en blijft de afwijzing van de bijzondere bijstand in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor het speciale matras blijft in stand.