ECLI:NL:CRVB:2022:1188
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Studiefinanciering geweigerd aan vreemdeling met verblijfsvergunning onder beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden
Betrokkene, een Russische nationaliteit dragende vreemdeling met een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden, vroeg studiefinanciering aan voor een mbo-opleiding. De minister wees de aanvraag af omdat betrokkene niet voldeed aan het nationaliteitsvereiste en niet viel onder de gelijkstellingscategorieën van het Besluit studiefinanciering 2000.
De rechtbank had het beroep van betrokkene op het vertrouwensbeginsel gegrond verklaard, omdat de minister eerder een beslissing op bezwaar had genomen die studiefinanciering toekende, waardoor betrokkene verwachtingen had gekregen en een opleiding was gestart. De minister stelde in hoger beroep dat betrokkene al vóór de toekenning met de opleiding was begonnen en geen schade had geleden door de onterechte toekenning.
De Centrale Raad oordeelt dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat betrokkene geen handelingen heeft verricht op grond van de onterechte toekenning en de minister zijn fout snel heeft hersteld. Bovendien is betrokkene niet gelijk te stellen met een Nederlander en is er geen strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van studiefinanciering gehandhaafd.