Uitspraak
20 2968 ZW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.2013, 185, blz. 29):
Centrale Raad van Beroep
Appellant was ziek en ontving een Ziektewetuitkering bij zijn eerste werkgever toen hij in dienst trad bij een tweede uitzendbureau op basis van een nul-urencontract. Het UWV stelde het dagloon vast op het loon genoten bij de tweede werkgever en hield geen rekening met de eerdere ZW-uitkering bij de eerste werkgever.
Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en voerde aan dat de berekening onevenredig nadelig was en in strijd met het doel van het Dagloonbesluit, dat ziekte tijdens de referteperiode geen negatieve invloed mag hebben op het dagloon. Hij stelde dat de referteperiode later had moeten starten of dat de eerdere ZW-uitkering had moeten worden meegenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat het Dagloonbesluit correct was toegepast, dat artikel 12f niet van toepassing was omdat appellant geen afspraken had over loondoorbetaling tijdens ziekte bij de tweede werkgever, en dat het beroep op artikel 3:4 Awb Pro faalde. Het besluit was zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd.
De Raad benadrukte dat de regeling voor het ZW-dagloon niet is gewijzigd en dat het UWV binnen de wettelijke kaders heeft gehandeld. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de vaststelling van het dagloon door het UWV wordt bevestigd.