Uitspraak
21.1549 MAW, 21/1550 MAW
OVERWEGINGEN
.Die presentatie heeft overigens niet plaatsgehad.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee op een Caribisch eiland, werd ontheven uit zijn functie en gerepatrieerd naar Nederland vanwege disfunctioneren en integriteitsschendingen. Dit besluit werd genomen na diverse gesprekken over zijn gedrag, communicatieproblemen en het ongeoorloofd meenemen van een televisie.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de staatssecretaris voldoende had gemotiveerd waarom ontheffing en repatriëring noodzakelijk waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de staatssecretaris niet in redelijkheid had kunnen besluiten tot ontheffing en repatriëring.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant procesbelang heeft ondanks het verleende leeftijdsontslag en verstreken ambtsberichtperiode, omdat het ambtsbericht zijn eer en goede naam kan schaden. De Raad bevestigt dat de staatssecretaris terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 17 AMAR Pro om appellant te ontheffen en te repatriëren.
De Raad stelt vast dat appellant herhaaldelijk is aangesproken op zijn gedrag en communicatie, dat hij integriteitsschendingen beging en dat het vertrouwen in hem volledig ontbrak. De leerafspraak als laatste kans werd niet nageleefd. De Raad ziet geen reden om aan het oordeel van de rechtbank te twijfelen en verklaart het hoger beroep ongegrond.
De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 2 juni 2022, waarbij de aangevallen uitspraak van de rechtbank Den Haag wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.