ECLI:NL:CRVB:2022:1269
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering na eerstejaars beoordeling en geschil over geschiktheid functies
Appellant viel op 1 maart 2018 uit voor zijn werkzaamheden als stuwadoor en ontving vanaf 12 juli 2018 een Ziektewet-uitkering. Na een eerstejaars beoordeling concludeerden een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige dat appellant beperkingen had, maar dat hij in staat was om bepaalde functies te verrichten waarmee hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV beëindigde daarom de ZW-uitkering per 23 augustus 2019.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat de geselecteerde functies, zoals productiemedewerker metaalbewerking en naaister, niet geschikt voor hem waren vanwege beperkingen in omgaan met tijdsdruk, samenwerken en conflicten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel.
De Raad overwoog uitgebreid de medische en arbeidskundige rapporten, waaronder de beoordeling van belastbaarheid, de aard van de functies, en de mogelijkheid tot het dragen van gehoorbescherming. De Raad vond de motivering van het UWV voldoende en oordeelde dat de functies geschikt zijn voor appellant. Ook werden de proceskosten aan appellant toegekend vanwege de late motivering door het UWV.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering omdat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant.