Appellante ontving vanaf 1995 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) trok deze uitkering met terugwerkende kracht in vanaf 1 oktober 2006, omdat zij meende dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met X op het uitkeringsadres, wat niet was gemeld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Raad vernietigde dit in 2019 en gaf de Svb opdracht een nieuw besluit te nemen.
De Svb voerde nieuw onderzoek uit en baseerde het bestreden besluit op verklaringen van buurtbewoners die stelden dat X vanaf 21 december 2001 op het uitkeringsadres woonde. De Raad oordeelt echter dat deze verklaringen onvoldoende concreet en feitelijk onderbouwd zijn om als hoofdbewijs te dienen. Ze zijn summier, bevatten weinig details over het dagelijks leven en zijn vooral indrukken zonder feitelijke waarnemingen.
De Raad concludeert dat de Svb niet aan haar bewijslast heeft voldaan en dat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid noch deugdelijk gemotiveerd. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en de besluiten van 6 mei 2015 die de intrekking en terugvordering betreffen, herroepen. Tevens wordt de Svb veroordeeld in de proceskosten van appellante.