ECLI:NL:CRVB:2022:1304
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over beëindiging recht op ziekengeld en vergoeding overschrijding redelijke termijn
Appellant, laatst werkzaam als lasser, meldde zich ziek met duizeligheidsklachten en vermoeidheid. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidskundige rapporten vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde het recht op ziekengeld. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat niet alle aspecten van zijn gezondheid waren betrokken en verwees naar een psycholoog. De Raad benoemde een KNO-arts en een psychiater als deskundigen. Beide deskundigen concludeerden dat er geen psychiatrische aandoening was en bevestigden de beperkingen. De arbeidskundige beoordeling werd eveneens bevestigd.
De Raad volgde de deskundigen en bevestigde het besluit van het UWV. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure met ruim twee jaar was overschreden, waardoor de Staat werd veroordeeld tot een schadevergoeding van € 2.500,-. Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt bevestigd en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van € 2.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.