ECLI:NL:CRVB:2022:1337
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld bij nulurencontract en loondoorbetalingsverplichting werkgever
Appellante trad op 1 januari 2019 in dienst bij een werkgever op basis van een nulurencontract met uitgestelde prestatieplicht tot 1 augustus 2019. Na ziekmelding op 18 maart 2019 werd zij niet meer opgeroepen om te werken en vroeg zij bij het UWV een Ziektewetuitkering aan. Het UWV weigerde deze omdat de werkgever verplicht was loon door te betalen tot het einde van de arbeidsovereenkomst.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat op grond van artikel 7:629 BW Pro de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever bleef bestaan, waardoor artikel 29 ZW Pro geen recht op ziekengeld gaf. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij niet voldeed aan de referte-eis van artikel 7:610b BW en dat de limitatieve uitleg van artikel 29 ZW Pro onrechtvaardig was.
De Centrale Raad van Beroep verwierp deze argumenten. De Raad bevestigde dat artikel 7:629 BW Pro de loondoorbetalingsverplichting regelt en dat artikel 29 ZW Pro daarop aansluit door uitkering van ziekengeld uit te sluiten zolang die verplichting geldt. De verwijzing naar de referte-eis in artikel 7:610b BW betreft de omvang van de arbeidsduur, niet de loondoorbetalingsplicht. Ook het betoog dat beëindiging van het dienstverband zou leiden tot recht op ziekengeld werd niet gevolgd vanwege mogelijke benadelingsmaatregelen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van ziekengeld bevestigd.