ECLI:NL:CRVB:2022:1343

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juni 2022
Publicatiedatum
24 juni 2022
Zaaknummer
21/621 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16, tweede lid, AW 2017
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing schadevergoeding wegens niet geschonden zorgplicht bij bikertraining gemeente Utrecht

Appellant, werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar bij de gemeente Utrecht, raakte tijdens een bikertraining in september 2017 gewond bij een valpartij. Hij kon zijn oorspronkelijke werkzaamheden niet meer verrichten en werd herplaatst. Het college erkende het ongeval als dienstongeval en vergoedde bepaalde kosten, maar weigerde verdere schadevergoeding omdat het zijn zorgplicht niet zou hebben geschonden.

De rechtbank wees het verzoek van appellant om aanvullende schadevergoeding af, stellende dat het college alle redelijkerwijs te vergen maatregelen had genomen. De training werd verzorgd door een gekwalificeerd bedrijf met een gekwalificeerde instructeur, inclusief een intake en veiligheidsvoorzieningen zoals helm en veiligheidsschoenen. De instructeur begeleidde de training adequaat, en de val gebeurde toen appellant zonder begeleiding een trap afreed.

In hoger beroep stelde appellant dat het college tekort was geschoten door het parcours niet zelf te inspecteren en de bikertraining niet in de risico-inventarisatie en -evaluatie op te nemen. De Raad volgde dit niet en bevestigde dat het niet formeel vereist is dat het college het parcours vooraf keurt of dat de training in de risico-inventarisatie moet staan. De zorgplicht strekt niet zover dat het college het door een gekwalificeerde instructeur beoordeelde parcours zelf moet goedkeuren.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van schadevergoeding wordt bevestigd.

Uitspraak

21.621 AW

Datum uitspraak: 23 juni 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 januari 2021, 19/4673 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P. Leemans, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Leemans. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.van de Vrugt, advocaat, mr W.K. van Briemen en A. Geurts.

OVERWEGINGEN

1.1.
Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.
1.2.
Appellant is sinds 1 oktober 2015 werkzaam bij de gemeente Utrecht als buitengewoon opsporingsambtenaar.
1.3.
Vanaf 11 september 2017 heeft appellant deelgenomen aan een driedaagse zogeheten Biker Basiscursus (bikertraining). Op 12 september 2017 is appellant bij het afdalen van een trap naar de Noordertunnel bij station Utrecht Centraal met de mountainbike ten val gekomen en heeft daarbij letsel aan zijn linkervoet opgelopen. Appellant kan hierdoor zijn eigen werkzaamheden niet meer verrichten. Hij is inmiddels herplaatst in de functie van administratief medewerker.
1.4.
Bij besluit van 20 oktober 2017 heeft het college het ongeval aangemerkt als dienstongeval. Hierdoor heeft appellant aanspraak op vergoeding van bepaalde kosten die hij door het ongeval lijdt.
1.5.
Na eerst het college te hebben verzocht om vergoeding van de resterende (materiele en immateriële) schade als gevolg van het ongeval, heeft appellant bij brief van 28 oktober 2019 de rechtbank verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van deze restschade. Hieraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat het college niet alle redelijkerwijs te vergen maatregelen heeft genomen om het ongeval te voorkomen of de schade te beperken en daardoor zijn zorgplicht heeft geschonden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college aangetoond dat hij zijn zorgplicht niet heeft geschonden. Het college heeft voor de bikertraining een gekwalificeerd bedrijf ingeschakeld dat trainingen verzorgt voor onder andere politie en gemeentes. De training wordt gegeven door een gekwalificeerde sportinstructeur. Voorafgaand aan elke bikertraining wordt een intest gedaan, bestaande uit een fysiek (behendigheids)onderdeel en een conditietest, met als doel de bikertraining veilig en met voldoende slagingskansen te kunnen voltooien. De rechtbank heeft verder gewezen op het uitgereikte trainingsprogramma en het theoretisch gedeelte waarmee de training begint. Ook heeft de rechtbank bij haar afweging betrokken dat de instructeur de oefeningen eerst voordeed en alle deelnemers aan de training de beschikking hadden over een mountainbike, een helm en veiligheidsschoenen. Volgens de verklaring van de instructeur, die steun vindt in de verklaringen van appellant en een collega, stond hij bij het afdalen van de trappen zoveel mogelijk aan de zijkant van de fietsers om zo nodig in te kunnen grijpen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hiermee alle maatregelen getroffen die in de gegeven situatie redelijkerwijs van hem konden worden gevergd om de veiligheid van het personeel te waarborgen. Dat er geen trainingsrisicoanalyse is gemaakt leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Hoewel van appellant verwacht mocht worden dat hij zich bewust was van de gevaarlijke handeling, is hij de trap af gefietst, terwijl de instructeur nog in gesprek was. Daardoor kon de instructeur appellant niet begeleiden of opvangen.
3. In hoger beroep heeft appellant, kort samengevat, aangevoerd dat het college zijn zorgplicht heeft geschonden. Van het college mocht verwacht worden dat het parcours zou worden onderzocht, dat alle veiligheidsrisico’s van de bikertraining geïnventariseerd zouden worden en dat de daaruit blijkende risico’s zouden worden verminderd of weggenomen. Dit is niet gebeurd. In de risico-inventarisatie en -evaluatie van de gemeente Utrecht is aan deze training geen aandacht besteed.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
De rechtbank is op de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het college heeft aangetoond dat hij zijn zorgplicht niet heeft geschonden en heeft daarom het verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel.
4.2.
In wat appellant in hoger beroep nog meer naar voren heeft gebracht ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. De beroepsgrond dat de zorgplicht is geschonden, omdat de bikertraining niet is vermeld in de risico-inventarisatie en -evaluatie van de gemeente Utrecht , slaagt niet. Uit de uitspraak van de Raad van 22 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1798, volgt dat dit geen formeel vereiste is in dit soort zaken. Anders dan appellant meent, strekt de zorgplicht niet zover dat het college het door de gekwalificeerde instructeur als geschikt voor de bikertraining beoordeelde parcours zelf ook nog van tevoren moet bekijken en goed moet keuren.
4.3.
Uit 4.1. en 4.2. volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en L.M. Tobé en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van G.F. Telci als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2022.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) G.F. Telci