ECLI:NL:CRVB:2022:1393
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkeringsweigering appellante
Appellante was werkzaam als postbezorger en meldde zich ziek vanwege knie- en heupklachten. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidskundige onderzoeken vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar klachten, waaronder kortademigheid en luchtwegproblemen, en dat zij volledig arbeidsongeschikt zou zijn. Zij verwees naar een rapport waarin de gemeente haar volledig arbeidsongeschikt achtte. Het UWV stelde dat een spreekuurcontact met een verzekeringsarts bezwaar en beroep niet noodzakelijk was, omdat tijdens een hoorzitting uitgebreid medisch overleg had plaatsgevonden en voldoende medische informatie beschikbaar was.
De Raad oordeelde dat een hoorzitting niet gelijk is aan een spreekuur, maar dat het ontbreken van een apart spreekuurcontact in dit geval gerechtvaardigd was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had voldoende gemotiveerd dat een spreekuur geen toegevoegde waarde had. De Raad bevestigde het bestreden besluit en oordeelde dat het gebrek aan motivering in het bestreden besluit werd gepasseerd op grond van artikel 6:22 Awb Pro. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.