ECLI:NL:CRVB:2022:1420
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering en proceskostenveroordeling
Appellant, een vrachtwagenchauffeur, meldde zich in 2010 ziek vanwege rugklachten en ontving aanvankelijk een WGA-uitkering. Na herbeoordelingen en werkhervatting volgden nieuwe klachten en een verzoek om WIA-uitkering, die door het UWV werd geweigerd wegens onvoldoende mate van arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de belastbaarheid adequaat was gemotiveerd. Appellant stelde in hoger beroep dat de medische beoordeling niet voldeed aan het Schattingsbesluit en dat de beperkingen onjuist waren vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief dossieronderzoek en aanvullend onderzoek, en dat de functionele mogelijkheden adequaat waren vastgesteld. De Raad verwierp de bezwaren van appellant over de medische motivering en de geschiktheid van functies.
Wel oordeelde de Raad dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling had uitgesproken, terwijl appellant niet had afgezien van een hoorzitting en zijn standpunt voldoende had kunnen toelichten. De Raad vernietigde dit deel van het vonnis en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd, maar het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.