Appellante en haar echtgenoot ontvingen bijstand, waarbij het college na een anonieme melding onderzoek deed naar niet gemelde werkzaamheden van appellante in een horecagelegenheid. Het college trok de bijstand in en vorderde te veel betaalde bedragen terug over meerdere periodes tussen mei 2017 en maart 2019.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep stelde appellante dat zij geen werkzaamheden verrichtte en onder druk een verklaring had afgelegd. De Raad verwierp deze gronden, oordeelde dat de verklaring van appellante consistent en gedetailleerd was en dat waarnemingen van sociaal rechercheurs haar werkzaamheden bevestigden.
De Raad stelde vast dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden door de werkzaamheden niet te melden. Hoewel het college het recht op bijstand niet nauwkeurig had vastgesteld, was dit een motiveringsgebrek dat kon worden gepasseerd. Het college had het recht op bijstand schattenderwijs op nihil kunnen vaststellen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van gronden.
Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante, inclusief griffierecht, vanwege het motiveringsgebrek in het bestreden besluit.