ECLI:NL:CRVB:2017:246
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing bijstandsaanvraag wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante vroeg bijstand aan met ingang van 1 juli 2013. Uit onderzoek bleek dat zij werkzaamheden verrichtte in tatoeageshops van haar vader en vriend, wat zij niet had gemeld. Het college wees de aanvraag af wegens schending van de inlichtingenverplichting en onduidelijkheid over de omvang van haar werkzaamheden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. De Raad stelt vast dat appellante op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte, ongeacht het ontbreken van vergoeding. Zij heeft onvoldoende inzicht gegeven in de omvang van haar werkzaamheden, waardoor het college het recht op bijstand niet nauwkeurig kon vaststellen.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op het recht op bijstand schattenderwijs vast te stellen op basis van 30 uur per week tegen het minimumloon. Tevens moet het college opnieuw beslissen over de terugvordering van voorschotten. Het college wordt veroordeeld in de kosten van appellante en het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt vernietigd en het college wordt opgedragen opnieuw te beslissen.