ECLI:NL:CRVB:2022:1460
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over beëindiging Ziektewetuitkering na eerstejaarsbeoordeling
Appellant, laatst werkzaam als winkelmedewerker, meldde zich ziek met psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaarsbeoordeling stelde het UWV dat appellant meer dan 65% van zijn loon kon verdienen en beëindigde de uitkering. Appellant maakte bezwaar, waarbij extra beperkingen werden aangenomen, maar het UWV handhaafde het besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de medische gronden onvoldoende waren onderbouwd en de functies medisch geschikt bleken. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn psychische beperkingen, zoals hoog handelingstempo, persoonlijk risico, samenwerken en urenbeperking, onderbouwd met medische informatie.
De Raad oordeelde dat de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende was gemotiveerd en dat de beperkingen van appellant niet zodanig waren dat de geschiktheid voor de functies in twijfel werd getrokken. De subjectieve klachten van appellant zijn niet doorslaggevend. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.