ECLI:NL:CRVB:2022:1486
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WIA-uitkering over 2012 en 2013 op voorschotbedrag wegens schending rechtszekerheidsbeginsel
Appellant, een zelfstandig hovenier, had zich vrijwillig verzekerd voor de WIA en ontving vanaf november 2012 voorschotten op zijn uitkering. Het UWV stelde in 2020 vast dat appellant over 2012 en 2013 geen recht had op WIA-uitkering en eiste terugbetaling van de voorschotten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het UWV tijdig op de hoogte was van de feiten die terugvordering rechtvaardigden.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV nalatig was geweest in het opvragen van inkomensgegevens bij de Belastingdienst, waardoor de vaststelling en terugvordering onredelijk laat plaatsvonden. De Centrale Raad oordeelde dat het UWV door een fout in het uitkeringssysteem pas in 2019 de juiste gegevens ontving en dat daardoor het rechtszekerheidsbeginsel werd geschonden.
De Raad stelde daarom de WIA-uitkering over 2012 en 2013 vast op het niveau van de reeds betaalde voorschotten, waardoor terugvordering niet meer aan de orde is. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en werd het griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: De WIA-uitkering over 2012 en 2013 wordt vastgesteld op het niveau van de verstrekte voorschotten, terugvordering wordt uitgesloten.