ECLI:NL:CRVB:2022:1496
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering aanmerken val uit lift als dienstongeval bij kantoorwerk politie
Appellant, werkzaam als politiemedewerker, is op 10 maart 2020 tijdens kantoorwerk gevallen bij het verlaten van een lift die ongeveer 15 centimeter lager stopte dan de verdiepingsvloer, waardoor hij letsel aan zijn rug opliep. Hij meldde dit als dienstongeval, maar de korpschef weigerde dit te erkennen omdat het gebruik van de lift geen verhoogd risico met zich meebrengt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat het ongeval niet voortkwam uit een verhoogd risico verbonden aan de werkzaamheden, maar een ongelukkige gebeurtenis was tijdens regulier kantoorwerk. Appellant stelde in hoger beroep dat het defect aan de lift een bijzondere omstandigheid vormde die een verhoogd risico inhield.
De Raad volgt appellant niet en overweegt dat kantoorwerk en het gebruik van goedgekeurde liften normaal gesproken geen verhoogd risico opleveren. Het feit dat de lift defect was, maakt dit niet anders. Een eerdere uitspraak waarbij een openstaand luik als dienstongeval werd erkend, is niet vergelijkbaar. De Raad bevestigt daarom het besluit van de korpschef en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het ongeval wordt niet als dienstongeval aangemerkt.