In deze zaak gaat het om de intrekking en terugvordering van bijstand die appellante ontving over verschillende perioden in 2018, vanwege ontvangen vermogen in de vorm van een schadevergoeding en dwangsommen. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de besluiten op juiste gronden berusten, maar de Raad oordeelt anders.
De Raad stelt vast dat de bestreden besluiten niet deugdelijke grondslag hebben omdat het college niet heeft onderzocht of de bijstand vanaf de 31ste dag na de onderbreking hernieuwd moest worden met een nieuwe vaststelling van het vermogen en het vrij te laten vermogen. Het college heeft dit bij het nader besluit alsnog gecorrigeerd door de intrekking te beperken tot de periode van 17 mei tot 15 juni 2018 en het vrij te laten vermogen opnieuw vast te stellen.
Verder oordeelt de Raad dat de ingebrekestelling die appellante had gestuurd prematuur was, omdat zij had ingestemd met uitstel van de beslistermijn. Dit betekent dat het college geen dwangsom verschuldigd is. Het hoger beroep tegen het besluit over de periode van november 2018 wordt bevestigd. De Raad veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht voor appellante.