ECLI:NL:CRVB:2022:1613

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juli 2022
Publicatiedatum
19 juli 2022
Zaaknummer
21/3796 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging onbevoegdverklaring rechtbank en veroordeling wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht in ontslagzaak

Appellante werd in 2007 ontslagen wegens gewichtige redenen door het bestuur van Stichting Zonova. Het bezwaar tegen dit ontslag werd in 2008 ongegrond verklaard en deze beslissing is in 2010 door de Raad bevestigd. Appellante heeft sindsdien vijf verzoeken tot herziening ingediend, die allen zijn afgewezen, en het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard.

In 2020 verzocht appellante via een e-mail aan de gemachtigde van het bestuur om terug te komen op het ontslagbesluit. De gemachtigde reageerde per e-mail dat er geen bestuursrechtelijk besluit was en dat over deze kwestie niet verder zou worden gecorrespondeerd. Appellante maakte daarop bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank, die zich onbevoegd verklaarde omdat de e-mails geen besluiten in de zin van de Awb waren.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de e-mails van de gemachtigde geen bestuursrechtelijke besluiten zijn en bevestigt daarmee de onbevoegdverklaring van de rechtbank. Tevens wordt vastgesteld dat appellante kennelijk onredelijk gebruik maakt van procesrecht door herhaaldelijk kansloze procedures te voeren over hetzelfde onderwerp. Daarom wordt appellante opnieuw veroordeeld in de proceskosten van het bestuur.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de onbevoegdverklaring van de rechtbank en veroordeelt appellante in de proceskosten wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

Uitspraak

21.3796 AW

Datum uitspraak: 15 juli 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2021, 21/969 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het bestuur van de Stichting Zonova (bestuur)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Namens het bestuur heeft mr. G.J. Heussen, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2022. Appellant en haar advocaat zijn niet verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Heussen en A. de Bruijn.

OVERWEGINGEN

1.1.
Waar in deze uitspraak wordt gesproken van het bestuur, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan een rechtsvoorganger van het bestuur.
1.2.
Het bestuur heeft appellante bij besluit van 11 juli 2007 ontslag verleend wegens gewichtige redenen. Bij besluit van 24 januari 2008 heeft het bestuur, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 11 juli 2007 ongegrond verklaard. Bij zijn uitspraak van 29 juli 2010 [1] , heeft de Raad het verleende ontslag in stand gelaten. Appellante heeft in totaal vijfmaal verzocht om herziening van die uitspraak. Deze verzoeken zijn afgewezen. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 19 juli 2018 [2] , gedaan op het vijfde verzoek. Het cassatieberoep tegen deze uitspraak is door de Hoge Raad bij arrest van 12 oktober 2018 [3] niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
Bij e-mailbericht van 10 december 2020, gericht aan de gemachtigde van het bestuur, heeft de gemachtigde van appellante verzocht om terug te komen van het besluit van 24 januari 2008. Op dit verzoek is gereageerd door de gemachtigde van het bestuur bij emailbericht van 14 december 2020. Naar aanleiding van die e-mail is namens appellante bezwaar gemaakt. Bij e-mailbericht van 25 januari 2021 is door de gemachtigde van het bestuur aan appellante meegedeeld dat, van een besluit van het bestuur in bestuursrechtelijke zin in dit geval geen sprake is. Verder is appellante meegedeeld dat het desbetreffende ontslagbesluit allang in rechte vaststaat en dat over deze kwestie niet verder zal worden gecorrespondeerd.
1.4.
Appellant heeft naar aanleiding van de e-mail van 25 januari 2021 beroep ingesteld bij de rechtbank.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het beroep van appellante kennis te nemen. De rechtbank heeft overwogen dat het verzoek bij e-mail van 10 december 2020 was gericht aan de gemachtigde van het bestuur. Die gemachtigde is echter geen bestuursorgaan en kan geen besluit nemen. Dat betekent dat de e-mails van de gemachtigde van het bestuur van 14 december 2020 en 25 januari 2021 geen besluiten in de zin van Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn. Omdat geen schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan voorligt, kan appellante geen beroep instellen bij de bestuursrechter. De rechtbank heeft zich daarom onbevoegd geacht om van het beroep kennis te nemen. De rechtbank heeft verwezen naar de burgerlijke rechter.
Verder heeft de rechtbank appellante veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.496,- wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht zoals bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, derde volzin, van de Awb. Appellante is deze procedure begonnen omdat zij herziening wenst van een in rechte vaststaande beslissing van 24 januari 2008, waarover meerdere uitspraken van de Raad zijn gevolgd en een arrest van de Hoge Raad. Gelet hierop en gelet op de omstandigheid dat in deze procedure duidelijk geen sprake is van een besluit waartegen beroep mogelijk is bij de bestuursrechter heeft de rechtbank geoordeeld dat het appellante redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de procedure volstrekt kansloos was.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad is van oordeel dat het e-mailbericht van 14 december 2020 van de gemachtigde van het bestuur geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is. Ingevolge dat artikellid wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt gedoeld op een handeling gericht op rechtsgevolg. In dit e-mailbericht van de gemachtigde van het bestuur staat dat hij met grote verbazing heeft kennisgenomen van het verzoek van 10 december 2020 en dat hij dat verzoek zal doorsturen ‘naar client’. Verder verzoekt hij om een nadere uitleg. Uit een en ander moet worden geconcludeerd, dat deze e-mail niet een beslissing is die erop is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor appellante te doen ontstaan of teniet te doen. Dat geldt evenzeer voor het e-mailbericht van 25 januari 2021 van de gemachtigde van het bestuur, dat door appellante ten onrechte is aangemerkt als een beslissing op haar bezwaarschrift van 14 januari 2021.
4.2.
Dit betekent dat de rechtbank zich terecht, zij het op andere gronden, onbevoegd heeft verklaard.
4.3.
Bij de uitspraak van de Raad op het vijfde herzieningsverzoek [4] is appellante op verzoek van het bestuur door de rechtbank veroordeeld in de proceskosten wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Het daartegen gerichte cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard. Mede gezien deze omstandigheden is de proceskostenveroordeling in de aangevallen uitspraak op de daarin vermelde gronden niet onterecht.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet, deels met verbetering van gronden, worden bevestigd.
5. Dit is na de uitspraak van 29 juli 2010 de zesde procedure over hetzelfde onderwerp: het ontslag van 2007. De insteek van deze procedure, te weten de discussie over de vraag of het bestuur wel of niet een bestuursorgaan is, is een afgeleide van waar het appellante uiteindelijk om gaat, namelijk opnieuw een discussie voeren over de besluitvorming van destijds over het ontslag. Dit levert kansloos procederen op, in ogenschouw genomen de eerdere procedures bij de Raad en Hoge Raad. Aldus is sprake van (voortgaand) kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door appellante. De Raad ziet hierin aanleiding appellante opnieuw te veroordelen in de kosten in hoger beroep, zoals door het bestuur is verzocht. De proceskosten aan de kant van het bestuur worden begroot op € 1.518,- (één punt voor het indienen van het verweerschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,-) wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt appellante in de proceskosten van het bestuur tot een bedrag van € 1.518,-.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van S.N. de Groot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2022.
(getekend) H. Lagas
(getekend) S.N. de Groot