ECLI:NL:CRVB:2022:1638
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstand wegens bijschrijvingen op bankrekening minderjarige dochter
Appellante ontvangt sinds 2008 bijstand als alleenstaande ouder. Het college herzag de bijstand over 2013-2019 en vorderde €12.719,34 terug, omdat bijschrijvingen op de bankrekening van haar minderjarige dochter van haar vader als inkomen werden aangemerkt. Appellante had deze bijschrijvingen niet gemeld, wat een schending van haar inlichtingenverplichting vormde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet over de tegoeden kon beschikken. De bijschrijvingen waren terugkerend en konden worden gebruikt voor noodzakelijke kosten, en daarom in mindering gebracht op de bijstand. Verjaring werd verworpen omdat het college pas in 2019 kennis nam van de bijschrijvingen en binnen vijf jaar handelde.
In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen over het ontbreken van beschikking over de rekening en dat de bijschrijvingen als inkomen uit arbeid of giften moesten worden beschouwd. Ook voerde zij verjaring en toepassing van de zesmaandenjurisprudentie aan. De Raad vond de gronden onvoldoende nieuw en bevestigde het oordeel van de rechtbank. Het college was niet eerder op de hoogte, en nalatigheid van de bewindvoerder komt voor rekening van appellante. De bijschrijvingen kunnen niet gelijkgesteld worden met inkomen uit arbeid van een minderjarig kind. De terugvordering is terecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand wegens bijschrijvingen op de bankrekening van de minderjarige dochter.