Uitspraak
19 4584 WMO15
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- bepaalt dat van het college een griffierecht van € 519,- wordt geheven.
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft het hoger beroep van het college tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg die het beroep van betrokkene tegen de intrekking van haar persoonsgebonden budget (pgb) gegrond verklaarde. Betrokkene had een pgb toegekend gekregen voor woningaanpassingen, maar het college trok dit in omdat het pgb niet was gebruikt voor het beoogde doel.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking moest worden beoordeeld op basis van de Wmo 2015 en dat het college onvoldoende gemotiveerd had waarom het belang bij intrekking zwaarder woog dan de gevolgen voor betrokkene. Daarbij nam de rechtbank bijzondere omstandigheden mee, zoals de situatie van betrokkene in 2012 toen zij in een kliniek verbleef en de Wmo mogelijk uitkomst had kunnen bieden.
Het college stelde dat de rechtbank buiten de geschilomvang trad, het verkeerde wettelijke kader toepaste en onterecht schade en omstandigheden meenam in de belangenafweging. De Centrale Raad van Beroep verwierp deze bezwaren, bevestigde dat de Wmo 2015 van toepassing is, dat de rechtbank niet buiten de geschilomvang trad en dat de bijzondere omstandigheden terecht bij de belangenafweging werden betrokken.
De Raad verklaarde het hoger beroep van het college ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen proceskosten toegekend en het college werd griffierecht opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van het persoonsgebonden budget en wijst het hoger beroep van het college af.