Appellant, laatst werkzaam als meubelstoffeerder, ontving sinds 2010 een WIA-uitkering wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2019 stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 maart 2017 vast op 41,30%. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en volgde de medische en arbeidsdeskundige beoordelingen van het UWV.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het dagverhaal onjuist was weergegeven, de functie medewerker tuinbouw ten onrechte niet was betrokken, en dat beperkingen zoals trillende handen onvoldoende waren meegewogen. Ook betwistte appellant de arbeidsdeskundige conclusies over taalbeheersing en functie-eisen. Het UWV handhaafde haar standpunt.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de medische beoordeling juist was. Wel bleek dat de arbeidskundige motivering onvoldoende was, met name omdat onjuist werd aangenomen dat appellant middelbaar onderwijs in Nederland had gevolgd. Daarom werd het UWV opgedragen het gebrek te herstellen door een nieuwe arbeidskundige beoordeling uit te voeren. De overige bezwaren van appellant behoeven voorlopig geen bespreking.